ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5701
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E. Grosheide
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van vreemdelingenbeleid en artikel 8 EVRM
Eiser, een geestelijk en lichamelijk gehandicapte Iraakse man, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland via zijn zuster (referente), die als vluchteling in Nederland verblijft. De aanvraag werd geweigerd door de Minister van Buitenlandse Zaken, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen en de inhoudelijke afwijzing.
De rechtbank toetste het beleid inzake afgeleide vluchtelingenstatus, dat alleen geldt voor het kerngezin (huwelijkspartner en minderjarige kinderen) van toegelaten vluchtelingen, en oordeelde dat eiser als meerderjarige broer hier geen aanspraak op kan maken. Ook het beleid inzake verruimde gezinshereniging werd toegepast, waarbij de rechtbank concludeerde dat de gezinsband tussen eiser en referente niet duurzaam verbroken was, maar dat verweerder terecht het middelenvereiste toepaste omdat referente en haar echtgenoot een uitkering ontvingen.
Ten aanzien van artikel 8 EVRM Pro (recht op gezinsleven) stelde de rechtbank vast dat er sprake is van een intensieve gezinsband, maar dat verweerder niet verplicht is tot toelating zolang referente niet zelfstandig in haar levensonderhoud kan voorzien. De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het restrictieve toelatingsbeleid zwaarder weegt dan het belang van eiser. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.