ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5705
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting vluchtelingen uit Armenië
Verzoekers, een Armeens echtpaar, dienden in 1995 aanvragen in voor vluchtelingenstatus en verblijf op humanitaire gronden vanwege onttrekking aan militaire dienstplicht. Hun eerdere verzoeken werden afgewezen omdat geen sprake was van een bovenmatige of discriminerende straf.
Na een nieuwe asielaanvraag in 2000 en een daaropvolgende afwijzing werden verzoekers op 27 februari 2000 uitgezet naar Armenië, waar zij direct gearresteerd en gedetineerd zouden zijn. Verzoekers vorderden een voorlopige voorziening om hun terugkeer naar Nederland te bewerkstelligen.
De rechtbank oordeelde dat de uitzetting onrechtmatig was vanwege het ontbreken van een redelijke termijn en de wijze van uitvoering, maar dat de aangevoerde nieuwe feiten onvoldoende waren om de eerdere afwijzing te herzien. Het ambtsbericht en andere stukken wezen op een beperkte strafmaat voor dienstplichtontduiking, zonder aanwijzingen voor een bovenmatige straf of toepassing van de doodstraf.
De rechtbank concludeerde dat er geen redelijke kans was op verblijfsaanvaarding en dat de gevraagde voorlopige voorziening daarom moest worden afgewezen. Tevens werd vastgesteld dat de uitzetting niet neerkwam op verkapte uitlevering en dat er geen strijd met het recht bestond.
De uitspraak is gedaan door de fungerend president van de rechtbank 's-Gravenhage op 29 maart 2000 en is niet vatbaar voor gewoon rechtsmiddel.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitzetting en detentie van verzoekers wordt afgewezen wegens het ontbreken van een redelijke kans op verblijfsaanvaarding.