ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5708
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating en voorlopige voorziening wegens onvoldoende aannemelijkheid vluchtelingenstatus
Verzoeker, een Srilankaanse Tamil, diende een aanvraag in voor vluchtelingenstatus en een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. De Staatssecretaris van Justitie wees dit af, waarna verzoeker bezwaar maakte en tevens een voorlopige voorziening vroeg om uitzetting te voorkomen.
De rechtbank oordeelt dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk vervolging of onmenselijke behandeling in Sri Lanka zal ondervinden. Zijn persoonlijke relaas werd als ongeloofwaardig beoordeeld, onder meer vanwege onduidelijkheden over zijn verblijfplaatsen en reis naar Nederland, en het ontbreken van bewijs dat hij doelwit is van de autoriteiten.
De rechtbank concludeert dat de algemene situatie in Sri Lanka niet zodanig is dat verzoeker automatisch als vluchteling kan worden aangemerkt. Ook het beroep op recente verslechteringen in de situatie van Tamils en risico’s bij terugkeer overtuigt niet. Er is geen sprake van strijd met artikel 3 EVRM Pro.
Daarom verklaart de rechtbank het bezwaar ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de vluchtelingenstatus wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.