ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5709
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit Iraakse vluchteling
Verzoekster, een Iraakse vrouw behorend tot de Fayli-Koerdische bevolkingsgroep, diende op 6 oktober 1998 een asielaanvraag in in Nederland. Deze werd op 17 maart 1999 afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. Verzoekster stelde dat zij vervolging vreest vanwege haar etnische achtergrond en familiegeschiedenis, maar kon dit niet persoonlijk onderbouwen.
De president van de rechtbank overwoog dat de algemene situatie in Irak en het beleid jegens asielzoekers sinds de toelating van haar moeder in 1994 is gewijzigd, waardoor verzoekster geen beroep kon doen op het gelijkheidsbeginsel. Tevens werd geoordeeld dat het niet aannemelijk was dat terugkeer naar Noord-Irak een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren.
Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar het binnenlands vestigingsalternatief Noord-Irak, waarbij niet duidelijk was of verzoekster daar familie- of gemeenschapsbanden heeft om een menswaardig bestaan op te bouwen.
Gezien deze onzekerheden kon niet worden gezegd dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, zodat de voorlopige voorziening werd toegewezen om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar is beslist. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de uitzetting wordt opgeschort.