ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5759
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting vrijheidsontnemende maatregel bij tweede asielaanvraag
De vreemdeling, van Tunesische nationaliteit, diende op 6 november 1998 een asielaanvraag in, welke werd afgewezen. Na een tweede aanvraag op 27 november 1998 werd deze eveneens afgewezen, waarna de vreemdeling beroep instelde. De rechtbank stelde vast dat de vrijheidsontnemende maatregel tot en met 20 november 1998 rechtmatig was, maar dat deze vanaf 27 januari 1999 onrechtmatig werd omdat de voortzetting van de maatregel niet langer gerechtvaardigd was.
De rechtbank onderzocht of de maatregel ook vóór 27 januari 1999 onrechtmatig was geworden. De maatregel was rechtmatig tot 20 november 1998, maar werd onrechtmatig vanaf 9 december 1998, de datum van de beschikking op de tweede asielaanvraag die later door de rechter werd vernietigd. De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn van 28 dagen op een tweede asielaanvraag in beginsel voldoende voortvarendheid toont.
De rechtbank veroordeelde de Staat tot betaling van een schadevergoeding van 5.300 gulden over de periode van 9 december 1998 tot en met 30 januari 1999, en tot vergoeding van proceskosten van 2.662,50 gulden. De maatregel werd op 30 januari 1999 opgeheven. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken op 13 april 2000.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel vanaf 9 december 1998 onrechtmatig was en veroordeelt de Staat tot betaling van 5.300 gulden schadevergoeding en 2.662,50 gulden proceskosten.