4. Verweerder heeft primair gesteld dat eiser geen reisbescheiden heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn reisroute. Daarnaast wekt het volgens verweerder bevreemding dat eiser, ondanks de opleidingen die hij heeft genoten, zich
tijdens een groot gedeelte van de reis er niet van vergewiste waar hij zich zou bevinden. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van documenten hem niet is toe te rekenen, is de oprechtheid van het relaas op
voorhand aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van het relaas. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, voorzover eiser in zijn verklaringen moet worden gevolgd, het relaas onvoldoende
zwaarwegend is voor een gegrond beroep op vluchtelingschap. Daartoe heeft verweerder gesteld dat de enkele omstandigheid dat eiser behoort tot de Tadzjiekse bevolkingsgroep op zichzelf niet leidt tot vluchtelingschap. Ten aanzien
van het gestelde DVPA-lidmaatschap heeft verweerder onder meer verwezen naar het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 3 november 1998, waarin is weergegeven dat DVPA-leden die thans geen
`anti-islamitisch' gedrag tentoonspreiden, in beginsel niets te vrezen hebben van de zijde van de Taliban. Niet is gebleken dat eiser in de negatieve aandacht zou staan van de Taliban. In dit kader heeft verweerder onder meer
gewezen op de activiteiten die eiser als DVPA-lid heeft uitgevoerd, op eisers verklaring dat hij nimmer problemen heeft ondervonden vanwege zijn DVPA-lidmaatschap en op de omstandigheid dat eiser, na een gevangenhouding van enkele
maanden in 1994, zijn werkzaamheden bij de overheid heeft kunnen hervatten. Overigens twijfelt verweerder aan de gestelde detentie en, voorzover al waarde aan de gestelde detentie moet worden gehecht, is deze gebeurtenis voor eiser
geen aanleiding geweest om zijn land van herkomst te verlaten. Ten aanzien van de gestelde vrees voor vervolging vanwege eisers functie tijdens het communistisch regime heeft verweerder overwogen dat de werkzaamheden een civiele
aard hadden en dat uit het hiervoor genoemde ambtsbericht blijkt dat officieren geen risicogroep vormen enkel op grond van het feit dat zij in het communistisch leger gediend hebben. De verklaringen over de dood van twee collega's
is louter gebaseerd op verklaringen van eisers schoonmoeder. Voorzover de collega's zouden zijn gedood, is niet gebleken dat de dood het gevolg is geweest van hun voormalig lidmaatschap van de DVPA. Voorzover waarde moet worden
toegekend aan de verklaringen van eiser dat hij gezocht wordt door de Taliban vanwege het geven van cursussen - eiser heeft hierover tegenstrijdige verklaringen afgelegd -, valt niet in te zien dat eiser in verband met het vinden
van cursusmateriaal door de Taliban vervolging zou hebben te vrezen. De angst voor de Taliban geeft geen aanleiding om gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Eiser heeft in de eerste overgave van Paryat door Safi aan de
Taliban geen aanleiding gezien om zijn dorp of het land te verlaten, hetgeen niet duidt op vrees voor vervolging van de zijde van de Taliban. De stelling van eiser dat hij, als bekend persoon in Najrab, in de negatieve aandacht van
de Taliban staat, wordt niet gevolgd omdat, gezien de band tussen Safi en eiser, geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat eiser anti-islamitisch gedrag verweten zal worden. Er bestaat geen aanleiding om eiser in het bezit
te stellen van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen.
Evenmin kan eiser, vanwege een verblijf van vijftien dagen in Tadzjikistan, aanspraak maken op verlening van een vvtv.