ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6031
Rechtbank 's-Gravenhage
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken nieuwe feiten en onmiddellijke invrijheidstelling
De vreemdeling was na strafrechtelijke detentie op 3 december 1999 voor de eerste maal in vreemdelingenbewaring gesteld. Deze bewaring werd op 19 januari 2000 opgeheven vanwege het niet tijdig verzenden van de vereiste kennisgeving aan de rechtbank. Direct daarop werd de vreemdeling opnieuw in bewaring gesteld, waartegen hij beroep aantekende. De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 januari 2000 de tweede bewaring opgeheven. Desondanks werd de vreemdeling direct daarna voor de derde maal in bewaring gesteld, waartegen opnieuw beroep werd ingesteld.
De rechtbank oordeelde dat herhaalde toepassing van vreemdelingenbewaring zonder nieuwe feiten of omstandigheden niet is toegestaan, overeenkomstig het principe dat iemand niet tweemaal voor hetzelfde feit van zijn vrijheid mag worden beroofd. De enkele stelling van verweerder dat eerdere zitting onvoldoende was toegelicht, werd niet als nieuw feit beschouwd. Daarom werd de derde bewaring onrechtmatig geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de bewaring en gelastte de onmiddellijke invrijheidstelling van de vreemdeling op grond van artikel 15 lid 2 van Pro de Grondwet. Een dwangsom werd niet opgelegd omdat verweerder toezegde de rechterlijke beslissing te respecteren. Over schadevergoeding en proceskosten volgt een aparte uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank beval de opheffing van de vreemdelingenbewaring en gelastte onmiddellijke invrijheidstelling wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.