ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6046
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bezwaar en voorlopige voorziening inzake weigering verblijfsvergunning wegens misdrijven tegen de menselijkheid
Verzoeker, een Nicaraguaanse vreemdeling die sinds 1989 in Nederland verblijft, vroeg meerdere malen om een verblijfsvergunning, onder meer op grond van humanitaire redenen en verblijf bij zijn Nederlandse partner. Zijn eerdere aanvragen werden niet tijdig beslist, waarna hij bezwaar en beroep instelde. In 1995 werd zijn beroep verworpen vanwege betrokkenheid bij misdrijven tegen de menselijkheid, waardoor hem bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag werd onthouden.
In 1997 wees de Staatssecretaris van Justitie een verblijfsvergunning af, maar trok deze beslissing in 1999 in en verving deze door een nieuw besluit met dezelfde inhoud. Verzoeker stelde dat dit in strijd was met het vertrouwensbeginsel en het verbod van willekeur. De rechtbank oordeelde dat de intrekking en vervanging van het besluit geen strijd opleverde met het vertrouwensbeginsel, omdat verzoeker bekend was met de ernstige gronden voor weigering.
De rechtbank overwoog dat de weigering van toelating terecht was, gelet op het beleid dat vreemdelingen alleen een vergunning krijgen indien hun aanwezigheid een wezenlijk Nederlands belang dient of er klemmende humanitaire redenen zijn. Aangezien verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven tegen de menselijkheid, vormt dit een onoverkomelijk bezwaar. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.