ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6169
Rechtbank 's-Gravenhage
- Mondelinge uitspraak
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag vluchtelingstatus wegens ontbreken nieuw relevante feiten
Verzoekster, van Oekraïense nationaliteit, had eerder een aanvraag om vluchtelingenstatus en verblijfvergunning ingediend die in 1997 werd afgewezen. Haar beroep tegen die beslissing werd in 1999 ongegrond verklaard. Bij de nieuwe aanvraag stelde zij nieuwe feiten aan de orde, waaronder verklaringen over de verblijfssituatie van haar echtgenoot.
De rechtbank beoordeelde of deze feiten nieuw en relevant waren in het kader van de asielprocedure. De overgelegde documenten betroffen echter de echtgenoot en hielden geen verband met de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat dit niet in de asielprocedure kan worden meegenomen, maar via een reguliere verblijfsvergunning moet worden aangevraagd.
De rechtbank concludeerde dat de Staatssecretaris van Justitie terecht de uitzetting niet heeft achterwege gelaten en verklaarde het bezwaar ongegrond. Er is geen aanleiding voor een voorlopige voorziening en tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om vluchtelingenstatus wordt ongegrond verklaard.