ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6225
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- W.J. van Bennekom
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning wegens schijnrelatie
Verzoeker, van Bengaleesche nationaliteit, werd op 15 december 1999 geconfronteerd met de intrekking van zijn verblijfsvergunning en maakte daarop bezwaar. Ondanks het bezwaar werd hij op 17 december 1999 uitgezet naar Bangladesh. Verzoeker verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening om zijn terugkeer naar Nederland af te dwingen.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker sinds 1987 in Nederland verbleef en meerdere aanvragen voor verblijf had gedaan, waarvan de laatste vergunning verleend was op basis van een relatie met een Nederlandse partner. Uit onderzoek van het Regionaal Interdisciplinair Fraudeteam bleek dat deze relatie een schijnrelatie was, waarbij verzoeker en zijn partner tegen betaling een relatie waren aangegaan om verblijf te verkrijgen.
Verzoeker erkende betalingen te hebben gedaan en gaf tegenstrijdige verklaringen af, terwijl de partner duidelijk aangaf dat het om een schijnrelatie ging. De rechtbank oordeelde dat de intrekking van de vergunning terecht was en dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had. De onrechtmatigheid van de uitzetting was onvoldoende om de gevraagde voorziening toe te wijzen.
De rechtbank concludeerde dat geen klemmende humanitaire redenen of andere omstandigheden bestonden die een terugkeer naar Nederland rechtvaardigden en wees het verzoek tot voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en uitzetting wordt afgewezen.