ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6389
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring vreemdeling wegens onrechtmatige toepassing vrijheidsontnemende maatregel
De vreemdeling, van Egyptische nationaliteit, was op 11 april 2000 in bewaring gesteld op grond van artikel 26 Vreemdelingenwet Pro. Tegen deze maatregel werd op 13 april 2000 beroep ingesteld, dat op 14 april werd ingetrokken, waarna op 17 april opnieuw beroep werd ingesteld. De rechtbank oordeelt dat de intrekking van het eerste beroep niet leidt tot het vervallen van de plicht tot kennisgeving door de overheid over voortdurende vrijheidsbeneming.
De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling niet voorafgaand aan de inbewaringstelling is gehoord, terwijl artikel 82 Vreemdelingenbesluit Pro dit vereist tenzij het verhoor niet kan worden afgewacht. Het verhoor vond pas de volgende dag plaats, wat niet als 'terstond na tenuitvoerlegging' kan worden beschouwd. Hierdoor is de vrijheidsontneming onrechtmatig vanaf het moment waarop het verhoor had moeten plaatsvinden.
De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de bewaring met ingang van 2 mei 2000 en veroordeelt de Staat tot betaling van de proceskosten. Over het verzoek tot schadevergoeding zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de bewaring wegens onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelt de Staat in de proceskosten.