ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6433
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring vreemdeling wegens niet tijdig horen door aanvoerproblemen
De vreemdeling is op 5 maart 2000 staande gehouden en in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. Zijn uitzetting was gelast, maar hij verbleef ongeveer vier weken in bewaring zonder beroep tegen de maatregel in te stellen. Op 10 april 2000 werd een transport-order uitgevaardigd om hem op 13 april 2000 over te brengen naar Haarlem, maar hij werd niet aangevoerd vanwege organisatorische problemen.
De rechtbank overweegt dat een vreemdeling persoonlijk het recht heeft om gehoord te worden ter ondersteuning van zijn beroep tegen een vrijheidsbenemende maatregel, conform artikel 15, tweede lid, Grondwet en artikel 34a, tweede lid, Vreemdelingenwet. De termijn van twee weken voor het horen is fataal, en het niet tijdig horen maakt de bewaring onrechtmatig.
De rechtbank oordeelt dat de aanvoerproblemen niet aan de vreemdeling zijn toe te rekenen maar voor risico van de overheid komen. Omdat de vreemdeling niet binnen de wettelijke termijn is gehoord, is de bewaring onrechtmatig en wordt deze per 17 april 2000 opgeheven. Er is geen verzoek om schadevergoeding ingediend.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven wegens niet tijdig horen binnen de wettelijke termijn door aanvoerproblemen.