ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6553
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting Iraakse asielzoeker tijdens bezwaarprocedure
Verzoeker, een Iraakse nationaliteit bezittende vreemdeling, diende op 28 september 1998 een aanvraag in voor toelating als vluchteling. Deze aanvraag werd op 26 augustus 1999 afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid, waarna verzoeker bezwaar maakte tegen dit besluit. Verzoeker verzocht de president van de rechtbank om een voorlopige voorziening die de uitzetting zou verbieden zolang het bezwaar in behandeling is.
De president overwoog dat ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist. Gezien de langdurige periode waarin geen gedwongen verwijderingen naar Irak hebben plaatsgevonden en het ontbreken van beletselen van louter technische aard, was er aanleiding om de uitzetting te verbieden.
De president oordeelde dat verzoeker er een groot belang bij heeft om de beslissing op het bezwaar in Nederland af te wachten en dat verweerder geen groot belang hecht aan een spoedige verwijdering. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan verzoeker. De beslissing werd op 21 juni 2000 uitgesproken.
Uitkomst: De uitzetting van verzoeker wordt verboden zolang het bezwaar niet is beslist.