ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6555
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard
Verzoeker, een Nigeriaanse vreemdeling die sinds 1993 in Nederland verblijft, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel gezinsvorming en loonarbeid. Deze aanvraag werd op 20 mei 1998 door de Staatssecretaris van Justitie afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de bezwaarprocedure leidde niet tot een andere uitkomst. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank, die het beroep op 12 november 1999 ongegrond verklaarde en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van connexiteit.
Verzoeker deed verzet tegen deze uitspraak en vroeg opnieuw om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen. Tijdens de openbare behandeling op 18 april 2000 was verzoeker niet aanwezig. De rechtbank oordeelde dat de uitspraak van de rechtbank geen besluit is in de zin van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is.
De rechtbank overwoog dat indien het verzet gegrond wordt verklaard, de uitspraak vervalt en er opnieuw sprake kan zijn van een besluit waartegen beroep mogelijk is, zodat op dat moment een voorlopige voorziening kan worden gevraagd. Er zijn geen proceskosten aan één van de partijen toegewezen. De uitspraak werd op 1 mei 2000 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzettingsbeslissing is niet-ontvankelijk verklaard.