ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6607
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen beëindiging bijstandsuitkering vreemdeling in afwachting verblijfsvergunning
Verzoeker, een vreemdeling van Turkse afkomst, kreeg bijstandsuitkering toegekend met terugwerkende kracht vanaf 15 oktober 1998 na een uitspraak in kort geding. De bijstandsuitkering werd beëindigd per 25 mei 2000 op grond van een circulaire na een arrest van het Gerechtshof. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. De rechtbank overwoog dat verzoeker rechtmatig in Nederland verbleef in de zin van artikel 1b, lid 3 van de Vreemdelingenwet, omdat hij in afwachting was van een beslissing op zijn eerste aanvraag om een verblijfsvergunning. Dit rechtmatig verblijf gaf hem aanspraak op bijstand volgens de Algemene bijstandswet en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw.
De rechtbank verwierp het standpunt dat de Koppelingswet en het Besluit geen toepassing zouden vinden op verzoeker, omdat hij niet onder de categorie viel van vreemdelingen die reeds bijstand ontvingen bij inwerkingtreding van de Koppelingswet. Ook het beroep op het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand werd meegewogen. Gelet op het rechtmatig verblijf en de wederzijdse belangen achtte de rechtbank het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk.
De rechtbank schorste het bestreden besluit en bepaalde dat verweerster verzoeker met ingang van 25 mei 2000 een bijstandsuitkering moet toekennen, berekend naar de voor verzoeker geldende norm. Tevens werd verweerster veroordeeld in de proceskosten en werd de gemeente Den Haag als rechtspersoon aangewezen om deze kosten en het griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering wordt geschorst en verzoeker krijgt bijstand toegekend vanaf 25 mei 2000.