ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6638
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure op grond van Dublin-overeenkomst en humanitaire gronden
Verzoeker, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, diende op 4 december 1999 een asielaanvraag in in Nederland. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees deze aanvraag op 7 april 2000 af op grond van artikel 15b, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet en verleende geen verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Verzoeker maakte bezwaar en verzocht de president van de rechtbank om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.
De rechtbank overwoog dat Duitsland op grond van de Dublin-overeenkomst verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, omdat verzoeker eerst in Duitsland verbleef. Verzoeker stelde dat hij door de Duitse toepassing van de 'Sichere Drittstaatenregelung' zonder inhoudelijke toetsing naar Tsjechië zou worden uitgezet, wat een schending van artikel 3 EVRM Pro zou kunnen opleveren. De rechtbank stelde vast dat onvoldoende duidelijkheid bestond over de toepassing van deze regeling en dat de overdracht aan Duitsland mogelijk tot directe uitzetting naar Tsjechië zonder rechterlijke toetsing kan leiden.
Gezien het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 7 maart 2000, dat een zelfstandige toetsing aan artikel 3 EVRM Pro vereist bij overdracht op grond van de Dublin-overeenkomst, oordeelde de president dat de uitzetting niet in redelijkheid kon worden uitgevoerd voordat op het bezwaar was beslist. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen en werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank gelast de uitzetting van verzoeker achterwege te laten tot vier weken na beslissing op bezwaar.