ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6641

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
18 mei 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/5264
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • H.J. Buijsman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:75 AwbArt. 33b Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak na afwijzing vluchtelingenstatus

Verzoekster, een Liberiaanse nationaliteit, diende op 26 april 2000 een aanvraag om toelating als vluchteling in. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie, wees deze aanvraag op 1 mei 2000 af wegens niet-ontvankelijkheid en verleende geen verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze beslissing en verzocht de president van de rechtbank om een voorlopige voorziening die de uitzetting zou schorsen.

Na een eerste ingetrokken verzoek op 8 mei 2000, diende verzoekster op 9 mei 2000 een nieuw verzoek in om uitzetting te verbieden gedurende de bodemprocedure. De rechtbank hield een openbare zitting op 12 mei 2000, waarbij beide partijen werden gehoord. De rechtbank beoordeelde of de aanvraag binnen de wettelijke termijnen was behandeld en concludeerde dat de beschikking te laat was uitgereikt, wat een schending van de zorgvuldigheidseisen betekende.

De president van de rechtbank besloot de voorlopige voorziening toe te wijzen, waardoor de uitzetting van verzoekster werd verboden totdat vier weken na de beslissing op bezwaar waren verstreken. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de door verzoekster gemaakte proceskosten en het griffierecht. Tegen deze uitspraak was geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank verbiedt de uitzetting van verzoekster totdat vier weken na de beslissing op bezwaar zijn verstreken en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE
Zittingsplaats Zwolle
Vreemdelingenkamer
President
regnr.: Awb 00/5264 VRWET Z VZ
uitspraak: 18 mei 2000
UITSPRAAK
inzake: A,
geboren op [...] 1982,
verblijvende te B,
van Liberiaanse nationaliteit,
IND dossiernummer 0004.26.8028 alias 9802.27.8180,
verzoekster,
gemachtigde mr. G.G.A.J. Adang, advocaat te Utrecht;
tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
te 's-Gravenhage,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. J.P. Nijenhuis, ambtenaar ten departemente.
1 PROCESVERLOOP
1.1 Op 26 april 2000 heeft verzoekster een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 1 mei 2000 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid en ambtshalve beslist aan
verzoekster geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij de uitreiking van de beschikking is verzoekster medegedeeld dat zij de behandeling van
een in te dienen bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten.
1.2 Verzoekster heeft daartegen bij brief van 1 mei 2000 bezwaar gemaakt.
1.3 Bij verzoekschrift van 1 mei 2000 heeft verzoekster de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist. Dit verzoek is bij brief van 8 mei 2000
ingetrokken. Op 9 mei 2000 heeft verzoekster een nieuwe voorlopige voorziening gevraagd waarin wordt verzocht de uitzetting hangende de bodemprocedure te verbieden.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de president en aan verzoekster gezonden.
Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 mei 2000. Verzoekster is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
2 OVERWEGINGEN
2.1 Ingevolge artikel 8:81 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een
mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 Aangezien verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd heeft in het Aanmeldcentrum te Zevenaar, dient beoordeeld te worden of de aanvraag binnen de vereiste termijnen, en zonder schending van de
zorgvuldigheidseisen, als kennelijk ongegrond of niet ontvankelijk kon worden afgedaan.
2.3 Verzoekster heeft aangevoerd dat er sprake is van een overschrijding van de termijn van 48 uur die verweerder kan gebruiken voor de procedure in het AC.
Verweerder heeft bij brief van 15 mei 2000 medegedeeld dat de uitreiking van de beschikking te laat heeft plaatsgevonden gezien de termijn van 48 uur die binnen het AC van kracht is.
2.4 De voorlopige voorziening dient derhalve te worden toegewezen.
2.5 De president ziet thans geen aanleiding om, met toepassing van artikel 33b Vw, onmiddellijk een uitspraak te doen op het bezwaarschrift.
2.6 In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:84 j° 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten, zoals hierna weergegeven. Nu het
verzoek wordt toegewezen ziet de president tevens aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht.
3 BESLISSING
De president:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in die zin dat verweerder wordt gelast de uitzetting van verzoekster achterwege te laten totdat vier weken zijn verstreken nadat op het bezwaar is beslist;
- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ad ƒ 1420,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekster dient te vergoeden;
- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht ad ƒ 50,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Buijsman en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2000 in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afschrift verzonden: 19 mei 2000