ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6680
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Verbod op uitzetting van verzoekster in afwachting van bezwaarprocedure inzake verblijfsvergunning
Verzoekster, met Marokkaanse nationaliteit en dochter van een diplomatiek medewerker van het Marokkaans Consulaat, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Deze werd geweigerd omdat zij niet gelijktijdig met haar ouders Nederland was binnengekomen en daardoor haar afhankelijkheid zou hebben verloren.
Verzoekster maakte bezwaar tegen deze beslissing en verzocht de president van de rechtbank om een voorlopige voorziening die de uitzetting zou verbieden zolang het bezwaar niet was behandeld. De president moest beoordelen of de uitzetting in redelijkheid kon worden toegestaan en of dit in strijd zou zijn met rechtsregels, waaronder het Weense Verdrag inzake Consulaire Betrekkingen.
De president oordeelde dat het standpunt van de staatssecretaris dat verzoekster haar afhankelijkheid had verloren niet zonder meer gevolgd kon worden. Artikel 46 van Pro het Verdrag spreekt over gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden, zonder te eisen dat zij gelijktijdig zijn binnengekomen. Verzoekster kon mogelijk aanspraak maken op toelating op grond van dit Verdrag.
Daarom werd de uitzetting verboden totdat op het bezwaar was beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van verzoekster.
Uitkomst: De uitzetting van verzoekster wordt verboden zolang niet op haar bezwaar is beslist.