De bezwaren van eiser spitsen zich toe op de stelling dat zijn werkzaamheden als politieofficier gelijkgesteld dienen te worden met die van een KHAD-officier, zodat hij zou behoren tot de in het ambstbericht van het Ministerie van
Buitenlandse Zaken d.d. 4 maart 1998 genoemde risicogroepen en uit dien hoofde bescherming zou dienen te genieten.
De rechtbank heeft in eisers relaas geen aanknopingspunten kunnen vinden om hem in die stelling te volgen.
Eiser was politieofficier in de stad Kabul en werkzaam als hoofd Decodering van communicatie. Zijn werkzaamheden hielden in het decoderen en doorzenden van berichten. Hij had twee man personeel onder zich. Naar het oordeel van de
rechtbank bekleedde eiser daarmee noch een bijzondere, noch een hoge functie. Het enkele feit dat deze werkzaamheden ook door KHAD-officieren werden verricht, is onvoldoende om eisers positie gelijk te stellen dan wel vergelijkbaar
te achten met die van een hoge KHAD-officier. Evenmin kan het feit dat eiser de rang van officier bekleedde, tot een dergelijke gelijkstelling leiden. Nu van de zijde van eiser voorts geen feitelijke onderbouwing is aangedragen voor
deze stelling, is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond om eisers werkzaamheden gelijk te stellen met die van een hoge KHAD-officier.
Met betrekking tot de overige aangevoerde bezwaren wordt als volgt overwogen. Namens eiser zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt van daad- werkelijke vervolging door de Taliban.
Uit de enkele omstandigheid dat er invallen in het huis van eisers familie hebben plaatsgevonden, kan zulks naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende worden afgeleid. Niet is gebleken dat er daarbij sprake was van speciaal op de
persoon van eiser gerichte negatieve aandacht. Aan de stelling dat de Taliban bij de laatste inval zijn dienstwapen, zijn diploma van de academie en zijn
partijlidmaatschapskaart hebben meegenomen, kan ook niet die betekenis worden gehecht die eiser daaraan gehecht wil zien. De rechtbank wijst erop dat de verklaringen die het relaas van eiser ondersteunen, louter subjectief van aard
zijn en niet worden ondersteund door ander bewijsmateriaal. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de Taliban op de hoogte was van het feit dat eiser werkzaamheden had verricht voor het communistisch regime in Afghanistan. De
rechtbank wijst er nog op dat eiser na de machtsovername in 1992 tot juli 1997 noch van de zijde van de Mudjaheddin, noch van de zijde van de Taliban, problemen heeft ondervonden.
De brief van eisers zuster tenslotte kan - gelet op de toetsing ex tunc - in de beroepsfase niet in de beoordeling worden betrokken.