ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6704
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens verbroken gezinsband en geen schending gelijkheidsbeginsel
Eiseres, een Kaapverdische vrouw, vroeg om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland om bij haar Nederlandse vader te kunnen verblijven. Haar aanvraag werd geweigerd omdat de feitelijke gezinsband met haar vader als verbroken werd beschouwd. De vader was in 1990 naar Nederland vertrokken en had pas in 1998 stappen ondernomen om haar overkomst te regelen. Eiseres verbleef sinds 1991 bij haar grootouders, wat verweerder als een duurzame opname in een ander gezin beoordeelde.
Eiseres voerde aan dat de vader feitelijk het ouderlijk gezag had uitgeoefend en dat het onderscheid tussen gezinshereniging met Nederlandse ouders en EU-onderdanen in strijd was met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat het EU-recht niet van toepassing was omdat de vader geen gebruik had gemaakt van het vrije verkeer binnen de EU. Ook werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen omdat Nederlanders gelijke rechten kunnen verkrijgen door verhuizing binnen de EU.
Daarnaast werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro verworpen omdat er geen inmenging in het gezinsleven was en geen positieve verplichting voor de staat om verblijf toe te staan. De belangenafweging tussen het individu en de gemeenschap leidde tot het oordeel dat het restrictieve toelatingsbeleid gerechtvaardigd was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een kostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.