ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6794
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.J.S. Korteweg-Wiers
- H.C. Greeuw
- J.R.A. Verwoerd
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring vreemdeling
De vreemdeling werd op grond van artikel 26, eerste lid, Vreemdelingenwet in bewaring gesteld, waarbij eerdere beroepen tegen deze maatregel ongegrond werden verklaard. Na opheffing van de bewaring op 26 oktober 1999 volgde een nieuwe bewaring op 9 november 1999. De rechtbank beoordeelde dat de nieuwe bewaring vanaf de aanvang rechtmatig was, mede omdat een advocaat tijdig was geïnformeerd.
De onrechtmatigheid ontstond op 7 december 1999, toen de kennisgeving van het voortduren van de vrijheidsbeneming niet tijdig aan de rechtbank was gedaan, zoals vereist op grond van artikel 18b Vw juncto artikel 86 Vb Pro. De rechtbank stelde vast dat de Staat naliet de bewaring direct op te heffen na het ontstaan van deze onrechtmatigheid, wat tot schadevergoeding leidt.
De rechtbank wees de vordering tot schadevergoeding toe vanaf 7 december 1999 tot 3 januari 2000, berekend op 28 dagen tegen een standaardtarief van ƒ 150,-, totaal ƒ 4.200,-. Tevens werden proceskosten van ƒ 1.420,- aan de vreemdeling toegekend, te voldoen door de Staat. Het hoger beroep staat open voor het onderdeel schadevergoeding.
Uitkomst: De rechtbank kent schadevergoeding toe wegens onrechtmatige bewaring vanaf 7 december 1999 en veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten.