ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6899
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit in asielprocedure op grond van Dublin-overeenkomst
Verzoekers, Georgische staatsburgers, verbleven sinds mei 1999 in Nederland en vroegen asiel aan. Hun verzoeken werden op 8 november 1999 afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, omdat Spanje als verantwoordelijke lidstaat op grond van de Dublin-overeenkomst hun asielaanvragen al behandelde.
Verzoekers maakten bezwaar en vroegen de rechtbank om een voorlopige voorziening om uitzetting uit te stellen totdat op het bezwaar was beslist. De rechtbank hield een zitting op 30 december 1999, waarbij verzoekers en hun gemachtigde verschenen, evenals de gemachtigde van verweerder.
De kern van het geschil betrof de vraag of de staatssecretaris de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvragen naar zich toe moest trekken op grond van artikel 3, vierde lid, van de Dublin-overeenkomst. De rechtbank oordeelde dat gezien de indicaties van ernstige mishandeling en mogelijke psychische trauma's bij verzoekster, het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris niet redelijkerwijs kon besluiten om de uitzetting niet op te schorten en wees het verzoek om voorlopige voorziening toe. Tevens veroordeelde zij verweerder in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan verzoekers wordt vergoed.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om uitzetting uit te stellen toe vanwege de redelijke kans van slagen van het bezwaar en bijzondere omstandigheden van verzoekster.