ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6913
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring vreemdeling wegens overschrijding aanmeldingstermijn PSC
De vreemdeling, geboren in 1966 en van Surinaamse nationaliteit, werd op 12 mei 2000 in bewaring gesteld na een staandehouding op basis van een redelijk vermoeden van betrokkenheid bij een strafbaar feit. De bewaring werd bevolen vanwege een uitzettingsmaatregel en het belang van de openbare orde.
De rechtbank constateert dat de aanmelding van de vreemdeling bij het Penitentiair Selectie Centrum (PSC) pas op de derde werkdag na de inbewaringstelling plaatsvond, terwijl de jurisprudentie vereist dat dit binnen twee werkdagen gebeurt, tenzij sprake is van verschoonbare omstandigheden. De Staatssecretaris van Justitie kon niet aannemelijk maken dat er een verschoonbare reden was voor deze vertraging.
Hierdoor heeft de overheid niet gehandeld conform artikel 84, tweede lid, Vreemdelingenbesluit, wat formeel leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring. De rechtbank oordeelt dat de bewaring daarom moet worden opgeheven. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen vanwege het bewust risico van de vreemdeling om in bewaring te worden gesteld door het illegaal verblijf. De proceskosten worden toegerekend aan de Staat der Nederlanden.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven wegens niet tijdige aanmelding bij het PSC, het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.