ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7096
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting wegens weigering legalisatie documenten verblijfsvergunning
Verzoekster, een Nigeriaanse vreemdeling, vroeg op 27 november 1998 een verblijfsvergunning aan voor verblijf bij haar Duitse partner en het verrichten van loonarbeid. De korpschef van Regiopolitie Limburg Zuid ontving de aanvraag op 10 december 1998. Verweerder weigerde de vergunning op 20 juli 1999 omdat verzoekster niet voldeed aan het vereiste van een gelegaliseerde verklaring van ongehuwd zijn, zoals voorgeschreven in het partnerbeleid van de Vreemdelingencirculaire.
Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht op 30 september 1999 om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen zolang het bezwaar niet was beslist. De president van de rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had onderzocht of er bijzondere omstandigheden waren om van het beleid af te wijken, mede omdat de weigering van legalisatie niet inhield dat de documenten vervalst waren, maar dat verificatie niet mogelijk was vanwege het ontbreken van verifieerbare gegevens in Nigeria.
De president stelde vast dat het vasthouden aan het legalisatievereiste in deze situatie zou leiden tot een onaanvaardbare situatie voor verzoekster. Verweerder mocht niet aannemen dat het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken onjuist was totdat dit in een aparte procedure was vastgesteld. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen en werd verweerder verboden verzoekster uit Nederland te verwijderen zolang op het bezwaar niet was beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd het griffierecht aan verzoekster vergoed.
Uitkomst: De uitzetting van verzoekster wordt verboden zolang niet is beslist op haar bezwaar tegen de weigering van de verblijfsvergunning.