ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7186

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
8 augustus 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/2142 MAWKLA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.W. Sentrop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 75 AMARArt. 7:12 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:77 AwbArt. 6:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitspraak over uitbetaling niet genoten vakantieverlof militair zonder daadwerkelijke ziekte

Eiser, voormalig militair, verzocht om uitbetaling van niet genoten vakantieverlofdagen na zijn ontslag wegens blijvende dienstongeschiktheid. Verweerder stelde dat verlof opgebouwd vóór 1 januari 1997 niet uitbetaald kon worden en dat vanaf 1 september 1998 de opbouw van verlof was gestopt vanwege medisch gerelateerd arbeidsverzuim.

De rechtbank oordeelde dat onder ziekte in artikel 75 AMAR Pro niet valt het medisch gerelateerd arbeidsverzuim zoals bij eiser, die nooit daadwerkelijk ziek thuis was geweest. De registratie als 'ziek thuis' bij de Individuele Begeleidingsdienst KL was onvoldoende om de opbouw van verlof te stoppen. Ook het beleid om geen verlofdagen toe te kennen aan militairen bij IBDKL werd als onredelijk beoordeeld.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder opnieuw op het bezwaar moet beslissen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder dient opnieuw te beslissen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank ’s-Gravenhage
Sector Bestuursrecht
Tweede kamer, enkelvoudig
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Reg.nr.: AWB 00/2142 MAWKLA
Inzake A, wonende te B, eiser,
tegen de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit.
Het besluit van verweerder van 20 januari 2000, kenmerk JURA/00/002715.
2. Zitting.
Datum: 28 juni 2000.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. P.M. Groenhart, en vergezeld van zijn echtgenote en lkol Z.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.H.A. Bots.
3. Feiten.
Eiser, voormalig sergeant-majoor bij het dienstvak der […], heeft bij rekest van 28 mei 1999 verzocht om uitbetaling van de niet genoten vakantieverlofdagen.
Bij besluit van 7 juni 1999 is aan eiser medegedeeld dat 10 vakantieverlofdagen in aanmerking komen voor afkoop.
Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 16 juli 1999 bezwaar gemaakt.
In het kader van de bezwaarprocedure heeft op 13 oktober 1999 een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiser bij brief van 18 februari 2000 bij de rechtbank beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden alsmede een verweerschrift, gedateerd 29 mei 2000.
Eiser heeft bij brief van 13 juni 2000 op het verweerschrift gereageerd.
Verweerder heeft bij brief van 15 juni 2000 nog aanvullend verweer gevoerd.
4. Motivering.
De rechtbank staat in dit geding voor de vraag of het bestreden besluit, met inachtneming van de daartegen aangevoerde bezwaren, in rechte stand kan houden. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Eiser, die wegens blijvende dienstongeschiktheid uit hoofde van ziekte of gebrek op 1 oktober 1999 uit de militaire dienst is ontslagen en met ingang van die datum als burgerambtenaar bij het ministerie van Defensie is aangesteld, heeft verzocht om uitbetaling van de niet genoten vakantieverlofdagen. Aan eiser was toegezegd dat dit opgebouwde verloftegoed niet aan zijn overgang als burgerambtenaar in de weg zou staan. Afgesproken was dat het verloftegoed, dat op dat moment nog nader bepaald moest worden, op eisers verlofkaart werd bijgeschreven en een verlofplan zou worden opgesteld om dit tegoed binnen afzienbare tijd af te bouwen. Om zijn nieuwe werkgever tegemoet te komen heeft eiser verzocht om zoveel mogelijk vakantieverlofdagen uit te betalen.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen ruimte is om het vakantieverlof uit te betalen, aangezien gebleken is dat eiser geen rechtens te honoreren aanspraken op vakantieverlof heeft. Verweerder heeft aangegeven dat het verlof dat vóór 1 januari 1997 is opgebouwd niet voor uitbetaling in aanmerking komt. Ten aanzien van de periode na 1 januari 1997 heeft verweerder gesteld dat de opbouw van het vakantieverlof per 1 september 1998 is gestopt als gevolg van het feit dat eiser sedert 24 februari 1997 medisch gerelateerd arbeidsverzuim vertoont en met ingang van 1 september 1997 bascode 2 is geplaatst. Aangezien eiser aansluitend aan zijn arbeidsverzuim ontslag is verleend, heeft hij de verlofdagen die hij in de periode van 1 januari 1997 tot 1 september 1998 heeft opgebouwd nimmer kunnen opnemen en is dit vakantieverlof tegoed komen te vervallen. In zijn brief van 15 juni 2000 heeft verweerder nog aangegeven dat ten onrechte is besloten om eiser 10 dagen vakantieverlof uit te betalen, maar dat hierin is berust.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 75, eerste en tweede lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement wordt het vakantieverlof naar evenredigheid verminderd indien de militair gedurende een periode langer dan een jaar wegens ziekte geen dienst heeft verricht.
Verweerder is van mening dat onder "ziekte" mede dient te worden verstaan de situatie dat de militair, zoals in het geval van eiser, medisch gerelateerd arbeidsverzuim vertoont. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Eiser is op 24 februari 1997 in het kader van zijn reïntegratie aangevangen met de opleiding […], waarna hij tewerk is gesteld bij de […] van de Koninklijke landmacht. Zoals eiser ook zelf heeft aangegeven, is hij in de periode tot zijn ontslag nimmer ziek thuis geweest. Dat eiser als gevolg van zijn plaatsing bij de Individuele Begeleidingsdienst KL (IBDKL) als "ziek thuis" geregistreerd heeft gestaan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat hij geen verlof meer heeft kunnen opbouwen en het nog openstaande vakantieverlof tegoed is komen te vervallen. In de regelgeving kan hiervoor geen steun worden gevonden. Ook zijn er geen aanwijzingen dat met de centrales van militair personeel afspraken van de door verweerder aangevoerde strekking zijn gemaakt. De door verweerder als productie 7 overgelegde beleidsbrief van
16 november 1995 over de Arbeidsvoorwaardenmaatregelen april 1995 - april 1997 is niet rechtstreeks van toepassing op de situatie als hier aan de orde. In die brief (paragraaf 4A) wordt slechts over verlof tijdens ziekte gesproken.
In eisers situatie, waarin van daadwerkelijke ziekte geen sprake is geweest, is de opbouw van het vakantieverlof dus niet gestopt per 1 september 1998.
De rechtbank is voorts van oordeel dat het beleid om geen verlofdagen te verlenen aan bij de IBDKL geplaatste militairen zich niet verdraagt met het feit dat eiser in overleg met zijn begeleidingsofficier wel vakantie heeft kunnen opnemen. Overigens kan dit beleid ook niet als redelijk worden aangemerkt.
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust en wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro niet in stand kan blijven. Het beroep is mitsdien gegrond. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van eiser dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ¦ 1420,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht).
Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, zal verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad ¦ 225,- dienen te vergoeden.
5. Beslissing.
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
Verklaart het beroep gegrond.
Vernietigt het bestreden besluit.
Bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ¦ 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (ministerie van Defensie) als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.
Gelast dat voornoemde rechtspersoon aan eiser het door deze betaalde griffierecht, zijnde
¦ 225,-, vergoedt.
6. Rechtsmiddel.
Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto Pro artikel 6:24 Awb Pro kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2000, in tegenwoordigheid van M. van Vlodrop als griffier.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
Verzonden:
Coll. :