ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7279
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
De vreemdeling, met Turkse nationaliteit, is op 6 februari 2000 in bewaring gesteld. Eerdere beroepen tegen deze bewaring werden ongegrond verklaard. Op 4 juli 2000 stelde de vreemdeling opnieuw beroep in tegen de voortzetting van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.
Tijdens de openbare behandeling op 13 juli 2000 verscheen de vreemdeling bij zijn gemachtigde. De rechtbank stelde vast dat de rechtmatigheid van de bewaring reeds onherroepelijk was vastgesteld en dat nu slechts de voortzetting van de bewaring aan de orde was.
De vreemdeling voerde aan dat de uitzetting onvoldoende voortvarend werd voorbereid en dat de bewaring onrechtmatig was omdat geen bewijs van rechtmatige 'lichting' in het dossier zat. De rechtbank oordeelde dat er voldoende zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat een laissez passer was verstrekt en de vreemdeling op 17 juli 2000 zou worden verwijderd.
De rechtbank verwierp het argument over de rechtmatigheid van de 'lichting', omdat deze noodzakelijk was voor identificatie en uitzetting. Er was geen strijd met de Vreemdelingenwet of onredelijkheid in de belangenafweging. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voor het beroep tegen het bevel tot inbewaringstelling, maar hoger beroep is mogelijk tegen de beslissing op schadevergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.