ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7453
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring vreemdeling wegens te late hoorzitting en toekenning schadevergoeding
Een Georgische vreemdeling werd op 13 juni 2000 in bewaring gesteld in verband met een uitzettingsmaatregel en het belang van de openbare orde. De vreemdeling werd pas op 19 juni 2000 gehoord, zes dagen na de inbewaringstelling, omdat een tolk Georgisch niet eerder beschikbaar was. De rechtbank oordeelde dat hiermee niet voldaan was aan de vereisten van artikel 82, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit, dat een terstond na inbewaringstelling plaatsvinden van het verhoor voorschrijft.
De rechtbank verwierp het verweer van de Staatssecretaris dat het verhoor op 14 juni 2000 met een tolk Russisch was begonnen, omdat de vreemdeling deze tolk niet kon verstaan. Hierdoor was het gehoor te laat en was de bewaring onrechtmatig. Gelet op de omstandigheden en de duur van de onrechtmatige bewaring kende de rechtbank een schadevergoeding toe van in totaal 6.650 gulden, bestaande uit een dagvergoeding voor verblijf in een politiecel en het Huis van Bewaring.
Daarnaast werd de Staat der Nederlanden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. De bewaring werd per direct opgeheven. Tegen de beslissing over de schadevergoeding staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven wegens te late hoorzitting en er wordt een schadevergoeding van 6.650 gulden toegekend.