ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7582
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding
De vreemdeling, met Algerijnse nationaliteit, werd op 15 mei 2000 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. Na een eerdere uitspraak van 31 mei 2000 waarin de rechtmatigheid van de bewaring werd bevestigd, stond nu alleen de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring ter beoordeling.
De vreemdeling stelde dat de bewaring vanaf 17 juni 2000 onrechtmatig was omdat hij op 19 mei 2000 een handgeschreven verzoek om toelating als vluchteling had ingediend. De rechtbank oordeelde echter dat dit verzoek niet rechtsgeldig was omdat het niet persoonlijk was ingediend zoals vereist. Pas op 22 mei 2000 werd een rechtsgeldig verzoek gedaan door ondertekening van een model F-document.
De termijn van vier weken waarbinnen de beslissing op het verzoek moest worden genomen, liep vanaf die datum, waardoor de afwijzing op 19 juni 2000 binnen de termijn viel. De rechtbank vond dat de Staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld en dat de bewaring niet onrechtmatig was. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat geen grond bestond voor toekenning.
Tegen deze uitspraak was geen gewoon rechtsmiddel mogelijk voor het beroep tegen het bevel tot inbewaringstelling, maar hoger beroep stond open voor het verzoek om schadevergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen voortzetting van de bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.