ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8047
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vluchtelingenstatus en vergunning tot verblijf afgewezen wegens gebrek aan persoonlijk risico op vervolging
Eiser, een Iraakse Koerd, vroeg toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf aan in Nederland. De aanvraag werd afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid, waarna eiser beroep instelde. De rechtbank oordeelde dat de algemene situatie in Irak en eisers persoonlijke omstandigheden geen gegronde vrees voor vervolging rechtvaardigen. De eerdere detentie en deelname aan de Intifada boden geen voldoende grond voor vluchtelingenstatus.
De rechtbank verwierp ook de stelling dat eiser vanwege zijn lidmaatschap van de Koerdische Democratische Partij of betrokkenheid bij een couppoging risico liep, mede omdat deze verklaringen laat en onvoldoende onderbouwd werden aangevoerd. Tevens was het binnenlands vestigingsalternatief in Noord-Irak beschikbaar.
Wat betreft de vergunning tot verblijf oordeelde de rechtbank dat verweerder ten onrechte had geoordeeld dat medische behandeling niet noodzakelijk in Nederland kon plaatsvinden. De medische situatie van eiser rechtvaardigde een vergunning tot verblijf wegens humanitaire redenen. Het besluit tot weigering van de vergunning werd daarom vernietigd en verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De rechtbank veroordeelde de Staat tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het beroep werd daarmee deels gegrond verklaard.
Uitkomst: De vluchtelingenstatus werd afgewezen, maar het besluit tot weigering van de vergunning tot verblijf wegens medische redenen werd vernietigd.