ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8261

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
4 augustus 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/8282
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • M.J. van den Bergh
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 33a Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

Verzoeker, een Turkse vreemdeling die sinds 18 juli 2000 in Nederland verblijft, diende op 23 juli 2000 een aanvraag om toelating in. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie, wees deze aanvraag op 25 juli 2000 af. Verzoeker diende daarop op 26 juli 2000 een bezwaarschrift in en verzocht de president van de rechtbank om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.

De president stelde vast dat het bezwaarschrift geen gronden bevatte, zoals vereist op grond van artikel 6:5 Awb Pro. Verzoeker werd op 27 juli 2000 schriftelijk op dit verzuim gewezen en kreeg de mogelijkheid om dit te herstellen vóór de zitting. Het schrijven werd naar het aanmeldcentrum te Rijsbergen gestuurd, waar verzoeker echter niet verbleef, maar verzoeker had dit adres als correspondentieadres opgegeven.

Omdat verzoeker niet tijdig gronden heeft ingediend en de hersteltermijn is verstreken, oordeelde de president dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Verzoeker verscheen niet bij de openbare behandeling op 3 augustus 2000. Er zijn geen aanwijzingen dat een van de partijen in de proceskosten veroordeeld moet worden. De president verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en sprak dit uit op 4 augustus 2000.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het niet herstellen van dit verzuim.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Vreemdelingenkamer
fungerend president
__________________________________________________
UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 Algemene Pro wet bestuursrecht juncto artikel 33a en 33b Vreemdelingenwet
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 00/8282 VRWET
Inzake : A, verzoeker,
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. A.L. de Mik.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verzoeker, geboren op [...] 1964, bezit de Turkse nationaliteit en stelt sedert 18 juli 2000 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland te verblijven. Op 23 juli 2000 heeft verzoeker een aanvraag om
toelating ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag op 25 juli 2000 niet ingewilligd. Verzoeker heeft op 26 juli 2000 een bezwaarschrift ingediend tegen dit besluit. Bij schrijven van dezelfde datum heeft verzoeker de president van
de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het bezwaar is beslist.
De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2000. Verzoeker is aldaar niet verschenen. Verzoeker beschikt niet over een gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn
gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden
in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, Awb, moet een beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Ingevolge artikel 6:6 Awb Pro kan een beroepschrift niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan dit vereiste, mits
de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Deze bepalingen zijn op grond van artikel 8:81, vierde lid, Awb van overeenkomstige toepassing.
3. De president stelt vast dat het verzoekschrift geen gronden bevat in de zin van de Awb.
Aangezien verzoeker in zijn bezwaarschrift van 26 juli 2000 evenmin gronden heeft aangevoerd, is verzoeker bij schrijven van 27 juli 2000 op dit verzuim gewezen en is hem verzocht de gronden uiterlijk om 16 uur op de dag voor de
zitting in te dienen.
Het schrijven waarbij verzoeker op voornoemd verzuim is gewezen, is
verzonden naar het aanmeldcentrum te Rijsbergen. Het is de griffie, verantwoordelijk voor de verzending van dit schrijven, bekend dat verzoeker daar niet verblijft. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift als correspondentieadres het
adres van de Stichting Rechtsbijstand Asiel op het aanmeldcentrum te Rijsbergen opgegeven. Verzoekers huidige verblijfplaats is niet aan de griffie bekendgemaakt. De president is derhalve van oordeel dat ervan uit dient te worden
gegaan dat voornoemd schrijven verzoeker heeft bereikt, althans dat de schriftelijke bereikbaarheid van verzoeker, mede in aanmerking genomen dat verzoeker niet over een gemachtigde beschikt, voor verantwoordelijkheid van verzoeker
komt.
4. Aangezien de termijn voor herstel van het verzuim is verstreken zonder dat hieraan gevolg is gegeven, is de president van oordeel dat het verzoek, gelet op het bepaalde in artikel 6:5 Awb Pro juncto artikel 6:6 Awb Pro, kennelijk
niet-ontvankelijk is.
5. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de president niet gebleken.
III. BESLISSING
De president:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan door mr. M.J. van den Bergh en uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2000, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Ooijen, griffier.
afschrift verzonden op: