ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8277
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke heenzending
De vreemdeling, met Joegoslavische nationaliteit, werd op 27 juli 2000 in vreemdelingenbewaring gesteld na een strafrechtelijke heenzending. Hij voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was vanwege gebrek aan redelijk vermoeden van schuld, onrechtmatige vrijheidsbeneming tussen strafrechtelijke heenzending en vreemdelingenbewaring, en het ontbreken van reëel zicht op het verkrijgen van een laissez-passer.
De rechtbank oordeelde dat de omstandigheden rond de aanhouding een redelijk vermoeden van schuld opleverden. De korte periode van vrijheidsbeneming tussen strafrechtelijke heenzending en vreemdelingenbewaring (ongeveer een uur) was volgens de rechtbank toelaatbaar onder artikel 26 Vreemdelingenwet Pro. Tevens was er volgens de rechtbank een reëel zicht op uitzetting, mede gezien de lopende aanvraag van een laissez-passer.
De rechtbank concludeerde dat de vrijheidsbeneming niet in strijd was met de Vreemdelingenwet en niet onredelijk was. Het beroep van de vreemdeling werd daarom ongegrond verklaard en de bewaring niet opgeheven.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring wordt gehandhaafd.