9. Het door verweerder gevoerde beleid betreffende garantstelling heeft ten doel om te garanderen dat in bepaalde gevallen uit het verblijf van vreemdelingen geen kosten voortvloeien voor de Nederlandse Staat. Niet alleen wordt aan
de partner van een vreemdeling een middeleneis gesteld om gedurende de relatie in ieder geval in aanvang te voorzien in de kosten van het onderhoud, doch ook in geval van verbreking van de relatie wordt de voormalige partner
aangesproken voor de kosten van onderhoud van de vreemdeling tot op het moment dat deze een andere verblijfstitel hier te lande bemachtigt of het land verlaat. De rechtbank acht dit beleid op zichzelf niet onredelijk. De
omstandigheid dat in het Burgerlijk Wetboek een andere verdeling van de verantwoordelijkheid, of zorgplicht, tussen borg (garant) en Staat zou worden gehanteerd leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel, met
het oog op de in het vreemdelingenrecht met een dergelijke constructie te dienen doelen. Niet is gebleken dat C bij de garantstelling ten behoeve van de relatie met D niet op de hoogte was van de door haar op zich te nemen
verplichting. Ook is nadien geen verzwaring gekomen in de eventuele geldelijke verplichtingen, bijvoorbeeld door onverwachte omstandigheden, zodat niet valt in te zien waarom het in casu onredelijk zou zijn om haar voor de
afgesproken termijn aan de aangegane verplichting te houden.
Eiser heeft aangevoerd dat de relatie met D inmiddels is verbroken, dat C de Vreemdelingendienst hiervan in maart 1998 op de hoogte heeft gesteld en dat dit voldoende moet worden geacht om C te ontslaan van haar garantstelling, doch
de rechtbank volgt deze stelling, gelet op het hiervoor overwogene, niet. De verbreking van de relatie is immers de situatie waarvoor het beleid omtrent garantstelling is bedoeld, zodat de verbreking van de relatie op zichzelf geen
grond is voor beëindiging van de garantstelling. Voor wat betreft de stelling van eiser dat het niet redelijk is C aan de garantstelling te houden nu D geen beroep doet op de openbare kas, overweegt de rechtbank dat verweerder
weliswaar heeft erkend dat D op dit moment geen beroep doet op de openbare kas, doch zoals verweerder ter zitting heeft aangevoerd en de rechtbank tevens ambtshalve bekend is, is het niet uitgesloten dat D, die thans zonder titel in
Nederland verblijft, alsnog aanspraak zal kunnen maken op een dergelijke uitkering, in het bijzonder in
het kader van een nieuwe aanvraag. De rechtbank is dan ook met verweerder en op de door verweerder aangevoerde gronden van oordeel dat C nog aan de in september 1997 aangegane garantstelling gebonden moet worden geacht.
Het inkomen dat C ten tijde van de bestreden beslissing verkreeg (f. 2.203,02 netto per maand) is niet voldoende om zowel aan de middeleneis in het kader van haar relatie met eiser, als aan de garantstelling die zij is aangegaan
voor haar relatie met D, te voldoen. De rechtbank deelt niet de stelling van eiser ter zitting, dat C thans voldoende inkomsten heeft om zowel aan de garantstelling als aan de middeleneis voor gehuwden te voldoen, nu eiser niet is
gehuwd en bij toelating van partners andere beleidsregels op dit punt gelden. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen aanspraak op toelating kan ontlenen aan
het door verweerder gevoerde beleid inzake relatievorming.