ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8837
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Th.C.M. Hendriks-Jansen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting vreemdelingenbewaring bij onzekerheid uitzetting
De vreemdeling, van Algerijnse nationaliteit, is in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet en de uitzetting is gelast. Eerdere uitspraken bevestigden de rechtmatigheid van de bewaring. De rechtbank beoordeelt nu of er nog voldoende zicht is op uitzetting en of de bewaring voortgezet kan worden.
Uit het geding blijkt dat de vreemdeling niet de Algerijnse nationaliteit bezit en dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten nog loopt. De rechtbank acht het zicht op uitzetting voldoende, mede omdat na langdurig onderzoek laissez passers kunnen worden afgegeven. De bewaring was eerder opgeheven vanwege personele bezetting, niet wegens gebrek aan zicht op uitzetting.
De rechtbank overweegt dat de Vreemdelingenwet geen maximumduur aan bewaring stelt, maar dat na zes maanden het belang van de vreemdeling zwaarder kan wegen, tenzij er contra-indicaties zijn. De vreemdeling frustreert het onderzoek door vol te houden de Algerijnse nationaliteit te bezitten zonder bewijs en onderneemt niets om het onderzoek te bespoedigen. Daarom weegt het belang van de overheid om uitzetting te effectueren zwaarder dan het belang van de vreemdeling op vrijlating.
De rechtbank verklaart het beroep tegen de bewaring ongegrond en acht de voortzetting van de bewaring niet onredelijk of in strijd met de wet.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de vreemdelingenbewaring ongegrond en bevestigt de voortzetting van de bewaring.