ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9195

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
22 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/63619
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7a VwArt. 6 VwArt. 8:75 AwbArt. 34a VwBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen voortduring vrijheidsbenemende maatregel en proceskostenveroordeling

De vreemdeling had op 27 juni 2000 een vrijheidsbenemende maatregel opgelegd gekregen na weigering van toegang tot Nederland. Tegen deze maatregel was eerder beroep ingesteld dat ongegrond werd verklaard. Op 26 september 2000 stelde de vreemdeling opnieuw beroep in tegen de voortzetting van deze maatregel, maar deze was op 28 september 2000 opgeheven.

De rechtbank oordeelde dat het procesbelang van de vreemdeling was vervallen door de opheffing van de maatregel en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank overwoog echter dat verweerder, de Staatssecretaris van Justitie, op grond van artikel 8:75 Awb Pro in de proceskosten veroordeeld kon worden, omdat de niet-ontvankelijkverklaring het gevolg was van een beslissing van verweerder die tegemoetkwam aan het beroep.

Verweerder stelde dat de opheffing van de maatregel het gevolg was van capaciteitsproblemen in het Grenshospitium en niet van het beroep zelf, maar de rechtbank vond dit onvoldoende aannemelijk. De proceskosten werden vastgesteld op ƒ 1.420,-- en werden aan de griffier toegekend. Tegen deze uitspraak stond geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en de Staatssecretaris van Justitie werd veroordeeld tot betaling van proceskosten van ƒ 1.420,--.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Haarlem
enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
U I T S P R A A K
ex artikel 34a Vreemdelingenwet (Vw)
reg.nr: AWB 00/63619 VRWET D
inzake: A, geboren op [...] 1980, van Iraanse nationaliteit, met onbekende verblijfplaats, hierna te noemen: de vreemdeling,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.
Zitting: 16 oktober 2000.
De vreemdeling is vertegenwoordigd door mr. B. Snoeij, advocaat te Amsterdam.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde, drs. M.L.E. de Graaff.
1. Ontstaan en loop van het geding
Op 27 juni 2000 is de vreemdeling ex artikel 6 Vw Pro op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van de vreemdeling is op diezelfde dag de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a, tweede en
derde lid, Vw toegepast.
Tegen deze maatregel is reeds eerder beroep ingesteld. Verwezen wordt naar hetgeen hieromtrent door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, is overwogen en beslist in de uitspraak van 16 augustus 2000 met kenmerk AWB 00/7038.
Bij die uitspraak is het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen de maatregel ongegrond verklaard.
Bij beroepschrift van 26 september 2000, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen de voortduring van de maatregel. Het daarbij gedane verzoek tot het toekennen van
schadevergoeding is ter zitting ingetrokken.
Op 28 september 2000 heeft verweerder de aan de vreemdeling opgelegde maatregel opgeheven.
2. Overwegingen
De gemachtigde van de vreemdeling heeft zich op het standpunt gesteld dat er reden is om, ondanks de opheffing van de maatregel, niet tot intrekking van het beroepschrift over te gaan, nu verweerder niet bereid is gebleken de
proceskosten die gemoeid waren met de indiening van het beroepschrift te vergoeden. De gemachtigde meent echter, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 1 april 1997 (met kenmerk
AWB 97/1521), wel in aanmerking te komen voor vergoeding van de proceskosten, nu het beroepschrift is ingediend voordat de maatregel werd opgeheven.
Verweerder heeft ter zitting betoogd dat er in het onderhavige geval geen verband bestaat tussen de indiening van het beroepschrift en de opheffing van de maatregel, zodat geen aanleiding bestaat om tot vergoeding van de
proceskosten over te gaan.
Immers, in dezelfde periode dat het beroepschrift werd ingediend, had verweerder te maken met een verhoogde instroom van asielzoekers in het Grenshospitium, waardoor aldaar plaats moest worden gemaakt. Verweerder heeft zich beraden
over de vraag hoe te handelen en heeft als gevolg van dit capaciteitsprobleem -onder andere- in de onderhavige zaak besloten over te gaan tot opheffing van de maatregel.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat, nu de vrijheidsbenemende maatregel ex artikel 7a Vw, tweede en derde lid, Vw reeds op 28 september 2000 is opgeheven, het procesbelang in de onderhavige zaak is vervallen. Onder verwijzing
naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 1997 (JB 1997/46) overweegt de rechtbank dat een dergelijk belang niet alleen kan zijn gelegen in een gevraagde proceskostenveroordeling. Een
ander belang aan de zijde van de vreemdeling is gesteld noch gebleken. Het beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Dit laat echter onverlet de bevoegdheid van de rechtbank om op grond van het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met
de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.
Aanleiding voor een kostenveroordeling is er onder meer in die gevallen waarin de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep het gevolg is van een beslissing van verweerder, te weten de opheffing van de maatregel, waarmee wordt
tegemoetgekomen aan het beroep van de vreemdeling. Dit is slechts anders indien verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat van een tegemoetkomen aan het beroep kennelijk geen sprake is, welke opvatting bij globale bestudering van het
dossier, ook steun dient te vinden in dit dossier.
Laatstbedoelde situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. Van een kennelijk niet-tegemoetkomen kan immers bezwaarlijk worden gesproken in een situatie waarin verweerder slechts heeft aangevoerd dat heroverweging van de
voortduring van de reeds drie maanden durende vrijheidsbeneming eerst nadat de vreemdeling beroep heeft ingesteld, tot opheffing heeft geleid. Dat bij de beslissing tot opheffing van de ten aanzien van de vreemdeling opgelegde
maatregel na instelling van het beroep uitsluitend capaciteitsoverwegingen in het Grenshospitium de doorslag hebben gegeven, maakt dit oordeel niet anders. Niet aannemelijk is immers geworden dat de beslissing tot opheffing reeds
was genomen voordat beroep was ingesteld, danwel dat -bij de vreemdeling of zijn gemachtigde kenbaar- een dergelijke beslissing aan de orde zou zijn, los van het feit of beroep zou worden ingesteld.
Het verzoek om kostenveroordeling komt derhalve voor toewijzing in aanmerking.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten
zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een
toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb Pro de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel niet-ontvankelijk;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats, moet voldoen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2000, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Bressers als griffier.
afschrift verzonden op: 27 november 2000
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.