ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9199
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens onrechtmatige bewaring en toekenning schadevergoeding aan vreemdeling
De vreemdeling, met Palestijnse nationaliteit, werd op 18 september 2000 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet vanwege vermoedens van strafbare feiten en illegaal verblijf. De bewaring werd op 25 oktober 2000 opgeheven, maar door interne problemen werd deze opheffing niet direct geëffectueerd.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring op een juiste juridische grondslag was gebaseerd, gezien het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning, identiteitsbewijs en het vermoeden dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken. Het beroep richtte zich op de vraag of de bewaring eerder had moeten worden opgeheven en of een schadevergoeding toegekend moest worden.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring tot de dag van opheffing niet onrechtmatig was, maar dat het niet tijdig effectueren van de opheffing een onzorgvuldigheid vormde die de vreemdeling niet kon worden toegerekend. Daarom werd het beroep gegrond verklaard voor die periode en werd een schadevergoeding van 400 gulden toegekend.
Daarnaast werden de proceskosten van 710 gulden aan de vreemdeling toegekend, te betalen door de Staat. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open voor zover het de schadevergoeding betreft.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens onrechtmatige bewaring en er wordt een schadevergoeding van 400 gulden toegekend.