ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9200
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduring vrijheidsbeneming uitgeprocedeerde Iraakse asielzoekers met terugkeeralternatief
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het beroep van twee Iraakse asielzoekers en hun minderjarige kind tegen de voortduring van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 7a van de Vreemdelingenwet. De vreemdelingen waren uitgeprocedeerd en hadden een (her)vestigingsalternatief in Noord-Irak. De maatregel was opgelegd na weigering van toegang tot Nederland op Schiphol.
De vreemdelingen stelden dat er geen reëel zicht op uitzetting bestond vanwege de zwangerschap van de vreemdelinge, waardoor het gezin niet verwijderbaar zou zijn en de maatregel opgeheven moest worden. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat vrijheidsbeneming gerechtvaardigd kan zijn indien voldoende zicht bestaat op vertrek via het terugkeerprogramma van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).
De rechtbank achtte de door verweerder aangelegde maatstaf, waarbij het belang van voortduring van de vrijheidsbeneming gedurende zes maanden wordt vooropgesteld, niet onredelijk. De zwangerschap van de vreemdelinge werd niet als voldoende omstandigheid gezien om de maatregel op te heffen. De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet in strijd is met de Vreemdelingenwet en niet ongerechtvaardigd is, en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard.