ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9204
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige ophouding en bewaring vreemdeling na vervallen strafvorderlijk belang
De vreemdeling werd op 21 augustus 2000 aangehouden op verdenking van een strafbaar feit. Na het vervallen van het strafvorderlijk belang werd hij opgehouden voor verhoor op grond van artikel 19, tweede lid, Vreemdelingenwet (Vw), en later in bewaring gesteld. De rechtbank stelde vast dat de identiteit en verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling reeds bekend waren bij aanvang van de ophouding.
Hoewel artikel 19 Vw Pro bij letterlijke lezing geen ophouding toestaat als identiteit en verblijfsrechtelijke positie bekend zijn, oordeelde de rechtbank dat een redelijke toepassing van dit artikel ophouding voor verhoor kan rechtvaardigen om voorbereidingen voor inbewaringstelling te treffen. Deze ophouding moet echter strikt noodzakelijk en zo kort mogelijk zijn.
In deze zaak duurde de ophouding twee uur en veertig minuten, wat door de rechtbank onaanvaardbaar lang werd geacht, temeer daar de genoemde voorbereidingshandelingen niet zijn verricht. De rechtbank concludeerde dat de ophouding zonder geldige titel was en daarmee ook de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig was.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de maatregel van bewaring per 2 oktober 2000 en veroordeelde verweerder in de proceskosten van €710,-.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt opheffing van de maatregel van bewaring wegens onrechtmatige ophouding.