ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9206

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/72703
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • Th.C.M. Hendriks-Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:84 AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:83 AwbArt. 6:5 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening voorlopige voorziening in vreemdelingenrecht afgewezen

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een besluit tot niet-toelating en een uitzettingsbevel. De president van de rechtbank verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk omdat geen besluit betreffende niet-toelating was overgelegd binnen de gestelde termijn.

Vervolgens verzocht verzoeker om herziening van deze niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), stellende dat het overleggen van het uitzettingsbesluit voldeed aan de vereisten. De president oordeelde echter dat noch titel 8.3 Awb, noch artikel 8:88 Awb Pro hem bevoegdheid geeft om een uitspraak als bedoeld in titel 8.3 Awb te herzien.

Ook het verzoek om vervallenverklaring van de uitspraak wegens kennelijke misslag werd afgewezen, omdat het vereiste besluit niet tijdig was ingediend. De rechtbank concludeerde dat geen sprake was van omstandigheden die leiden tot toewijzing van proceskosten.

De uitspraak van 24 november 2000 blijft daarmee in stand en het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en het overige verzoek afgewezen.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te 's-Hertogenbosch
Sector Bestuursrecht
--------------------------------
Uitspraak
--------------------------------
AWB 00/72703 VRWET
Uitspraak van de president ingevolge artikel 8:84, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet op het verzoek om terug te komen op de uitspraak van de president van 24 november 2000
in het geschil tussen:
A, verzoeker,
gemachtigde mr. A. Kurt, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel te
's-Hertogenbosch,
en
de Staatssecretaris van Justitie te s'-Gravenhage, verweerder.
I. OVERWEGINGEN.
Verweerder heeft afwijzend beslist op het verzoek van verzoeker om toelating. Bovendien is bij schrijven van 15 september 2000 beslist dat verzoeker Nederland binnen twee weken na dagtekening van deze brief moet hebben verlaten.
Verzoeker heeft bij verzoekschrift van 27 september 2000 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen tegen dit besluit. Bij uitspraak van 24 november 2000 (reg.nr. AWB 00/66252) is dit verzoek, met toepassing van het bepaalde
in artikel 8:83, derde lid van de Awb, niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet overleggen van een afschrift van het besluit betreffende niet-toelating.
Namens verzoeker is bij verzoekschrift van 27 november 2000 verzocht om herziening van deze uitspraak op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb. Aan het verzoek om herziening legt verzoeker ten grondslag dat dient te worden teruggekomen
op de niet-ontvankelijkheid omdat met het overleggen van de besluiten van 15 september 2000, waarin verzoeker wordt aangezegd Nederland binnen twee weken te verlaten, is voldaan aan het vereiste dat is neergelegd in artikel 6:5,
tweede lid van de Awb. Paragraaf 4.1.1.1 van de Richtlijnen vreemdelingenkamer waarin is opgenomen dat verzoeker op grond van artikel 6:5, tweede lid van de Awb zowel de mededeling dat de beslissing op bezwaar of beroep niet mag
worden afgewacht als de beschikking betreffende niet-toelating dient over te leggen is, zo stellen verzoekers, in strijd met de Awb en derhalve terzake onverbindend.
De president is van oordeel dat noch titel 8.3 van de Awb of artikel 8:88 van Pro de Awb, noch de toelichting daarop de president de bevoegdheid toekennen een uitspraak als bedoeld in titel 8.3 van de Awb te herzien. Het verzoek om
toepassing van artikel 8:88 van Pro de Awb moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ook de artikelen 8:81 en 8:87 van de Awb kunnen niet leiden tot het door verzoeker beoogde resultaat.
De rechtbank heeft de mogelijkheid een kennelijke misslag in een uitspraak ex artikel 8:54 van Pro de Awb te herstellen langs de weg van artikel 8:55 van Pro de Awb. In titel 8.3 van de Awb ontbreekt een vergelijkbare regeling voor de
president.
Niettemin moet worden aangenomen dat aan de president de bevoegdheid toekomt een uitspraak ex artikel 8:84 juncto Pro 8:83, derde lid van de Awb als hier aan de orde, al dan niet ambtshalve vervallen te verklaren indien deze berust op
een kennelijke misslag.
Daarvan is hier echter geen sprake. Verzoekers gemachtigde is bij aangetekend schrijven dezerzijds van 24 oktober 2000 in de gelegenheid gesteld een afschrift van het besluit betreffende niet-toelating binnen vier weken na
dagtekening van deze brief, derhalve uiterlijk op 21 november 2000, in te dienen. Ten tijde van de uitspraak van 24 november 2000 was dit afschrift niet door de rechtbank ontvangen. De uitspraak van 24 november 2000 komt dan ook
niet voor vervallenverklaring in aanmerking.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden
veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank
niet gebleken.
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid van de Awb wordt beslist als hieronder vermeld.
II. BESLISSING
De president:
verklaart het verzoek om herziening als bedoeld in artikel 8:88 niet Pro-ontvankelijk;
wijst het verzoek voor het overige af.
Aldus gedaan door mr. Th.C.M. Hendriks-Jansen als fungerend president in tegenwoordigheid van mr. B. van den Akker als griffier en uitgesproken in het openbaar d.d. 13 december 2000.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afschriften verzonden: 19 december 2000
Ma