ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9218
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting vreemdelingenbewaring en uitzettingsperspectief
De vreemdeling is sinds 1 september 1999 in bewaring gesteld op grond van artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet, met een uitzettingsbevel op dezelfde datum. Eerdere beroepen tegen de bewaring zijn ongegrond verklaard. Bij het huidige beroep is beoordeeld of er nog voldoende zicht is op uitzetting en of de voortzetting van de bewaring redelijk is.
De rechtbank constateert dat het onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling bij de Algerijnse autoriteiten nog loopt, waarbij de vreemdeling onvoldoende meewerkt en daarmee het onderzoek frustreert. Volgens jurisprudentie weegt na zes maanden het belang van de vreemdeling om vrij te zijn doorgaans zwaarder, maar onder omstandigheden, zoals frustratie van het onderzoek, kan deze termijn worden overschreden.
Verder leidt de rechtbank uit een proces-verbaal af dat het Openbaar Ministerie geen bezwaar heeft tegen uitzetting. De speculatie dat de bewaring dient voor het uitzitten van strafrechtelijke detentie wordt verworpen. Gelet op het lopende onderzoek en het belang van uitzetting weegt het belang van de overheid zwaarder dan dat van de vreemdeling. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de bewaring niet onrechtmatig is opgeheven.
De rechtbank benadrukt dat verweerder regelmatig een belangenafweging moet maken, ook zonder nieuw beroep. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.