ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9270
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding
De vreemdelinge is op 25 mei 2000 in bewaring gesteld op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet, met gelijktijdige uitzetting. De gemachtigde van de vreemdelinge stelde dat hij niet voldoende stukken had ontvangen om zich voor te bereiden op de zitting en verzocht om opheffing van de bewaring en toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de gemachtigde op de hoogte was van de zittingsdatum en dat hij contact had kunnen opnemen met de Immigratie- en Naturalisatiedienst om de ontbrekende stukken op te vragen. De aangevoerde grief was daarom ongegrond. Verder waren er voldoende gronden voor de bewaring, waaronder het ontbreken van een geldige verblijfsstatus, onjuiste identiteitspapieren, het illegaal verblijf en het risico op onttrekking aan uitzetting.
De rechtbank besloot dat de bewaring niet in strijd was met de Vreemdelingenwet en dat het verzoek om schadevergoeding moest worden afgewezen omdat de bewaring niet werd opgeheven. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open voor het deel inzake schadevergoeding.
Uitkomst: Beroep tegen bewaring wordt ongegrond verklaard en verzoek om schadevergoeding afgewezen.