ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9283
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting bewaring vreemdeling tijdens strafrechtelijke detentie
Eiser, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, is tijdens zijn strafrechtelijke detentie gepresenteerd bij de Marokkaanse autoriteiten en sindsdien in bewaring gesteld op grond van artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet. Eiser betoogt dat de zesmaandentermijn voor bewaring inmiddels is verstreken en dat er geen zicht meer is op uitzetting, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn.
De rechtbank overweegt dat de zesmaandentermijn strikt gekoppeld is aan de duur van de bewaring en niet aan het moment van presentatie bij de autoriteiten. Hoewel het tijdstip van presentatie en de verstreken tijd sindsdien relevant kunnen zijn voor het zicht op uitzetting, is uit de stukken gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten nog geen definitieve weigering van een laissez-passer hebben gegeven en dat het niet ongebruikelijk is dat deze pas na 10 à 11 maanden wordt verstrekt.
De rechtbank concludeert dat er nog steeds zicht is op uitzetting en dat de voortzetting van de bewaring bij afweging van de belangen van eiser en verweerder in redelijkheid gerechtvaardigd is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
De uitspraak is gedaan door rechter D. Radder op 24 oktober 2000 en is openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.