ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9333
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing vergunning tot verblijf op grond van relevant tijdsverloop en voorlopige voorziening tegen uitzetting
Eiser, van Sri Lankaanse nationaliteit, heeft meerdere aanvragen ingediend voor een vergunning tot verblijf, waaronder op grond van relevant tijdsverloop (driejarenbeleid). Verweerder wees deze aanvragen af en verklaarde het daarop ingestelde bezwaar niet-ontvankelijk. De kern van het geschil betrof de status van een brief van verweerder van 5 augustus 1999, waarin werd meegedeeld dat geen sprake was van relevant tijdsverloop. De rechtbank oordeelde dat deze brief een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro vormt en dat het besluit tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar op onjuiste rechtsopvatting berust.
De rechtbank stelde dat het niet relevant is of de aanvraag bij het juiste bestuursorgaan is ingediend of op het juiste formulier, aangezien verweerder verplicht is een verkeerde aanvraag door te zenden. De brief van 5 augustus 1999 werd als een weigering van de aanvraag aangemerkt. Verder werd het beleid van verweerder omtrent het driejarenbeleid en de toepassing van de vodu-procedure besproken, waarbij de rechtbank oordeelde dat het beleid niet mag leiden tot ongelijke behandeling en dat een fictieve toewijzing in aanmerking moet worden genomen.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en dat de voorlopige voorziening om uitzetting achterwege te laten gedurende de bezwaarprocedure toewijsbaar is. Verweerder werd opgedragen binnen veertien weken een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd de Staat der Nederlanden aangewezen als rechtspersoon voor de vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de voorlopige voorziening toegewezen om uitzetting te schorsen totdat een nieuwe beslissing is genomen.