ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9730
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A. Wolfsen
- Rechtspraak.nl
Weigering verblijfstitel na onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden
Eiser, een Surinaamse vreemdeling, vroeg in 1998 een verblijfstitel aan voor verblijf bij zijn Nederlandse partner. Verweerder weigerde dit op grond van een onherroepelijke veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf wegens een overtreding van de Opiumwet in 1997. Eiser maakte bezwaar en stelde dat de straf niet als langdurig moest worden beschouwd en dat verweerder onvoldoende rekening hield met zijn persoonlijke omstandigheden en het gezinsleven.
De rechtbank overwoog dat de zes maanden gevangenisstraf binnen het vreemdelingenbeleid als langdurig moet worden aangemerkt, mede omdat een dergelijke straf reeds aanleiding kan zijn tot ongewenstverklaring. De rechtbank verwierp het argument dat de straf omgezet had kunnen worden in dienstverlening, aangezien dit niet mogelijk was vanwege het ontbreken van een verblijfstitel destijds.
Verder werd geoordeeld dat het recht op gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro geen absolute verplichting tot toelating van de vreemdeling inhoudt en dat verweerder een redelijke belangenafweging heeft gemaakt. De stelling van eiser dat zijn partner hem niet naar Suriname kan volgen wegens medische behandeling werd niet met bewijs onderbouwd en kwam te laat.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de verblijfstitel wegens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.