ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9740
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen intrekking voorwaardelijke verblijfsvergunning Koerdische asielzoeker
Verzoeker, een Koerdische asielzoeker uit Irak, diende bezwaar in tegen de afwijzing van zijn vluchtelingenstatus en tegen de intrekking van zijn voorwaardelijke vergunning tot verblijf. Hij verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op zijn bezwaarschriften was beslist.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen de afwijzing van de vluchtelingenstatus en het bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning geen redelijke kans van slagen hadden. Verzoeker had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk vervolging of onmenselijke behandeling in Irak zou ondervinden.
De rechtbank stelde vast dat de situatie in Noord-Irak niet zodanig was dat verwijdering van verzoeker naar die regio van bijzondere hardheid zou zijn. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en het bezwaar tegen de intrekking van de vergunning ongegrond verklaard.
De rechtbank benadrukte dat het schorsende effect van het eerste bezwaarschrift was komen te vervallen door het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen en dat de staatssecretaris de intentie had om schorsende werking te onthouden gedurende de gehele procedure.
De uitspraak werd gedaan door de president van de rechtbank, mr. A. Stehouwer, op 7 november 2000.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting en bezwaar tegen intrekking verblijfsvergunning worden afgewezen en ongegrond verklaard.