ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9830
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen bewaring en uitzetting Algerijnse vreemdeling ongegrond verklaard
De vreemdeling, met de Algerijnse nationaliteit, werd op 16 oktober 2000 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. Hij stelde dat de uitzetting niet voortvarend genoeg werd uitgevoerd, omdat de vlucht pas na enkele weken gepland werd, ondanks dat zijn paspoort op 31 oktober 2000 was ontvangen.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring rechtmatig was, omdat de vreemdeling geen geldige verblijfsvergunning had, zich aan toezicht onttrok en er een ernstig vermoeden bestond dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken. Tevens was er een verdenking van een strafbaar feit.
De rechtbank stelde vast dat de Staatssecretaris van Justitie voldoende voortvarend had gehandeld door direct na ontvangst van het paspoort een vlucht te boeken. De beperking van het aantal uitzettingen per vlucht door de Algerijnse autoriteiten maakte een tijdsverloop van enkele weken acceptabel.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen grond voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak was hoger beroep mogelijk voor het deel over schadevergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.