ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9847
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring en machtiging tot binnentreden in vreemdelingenzaak
De vreemdeling, met Iraakse nationaliteit, werd op 10 oktober 2000 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. Dit volgde op een politieactie op 9 oktober 2000 waarbij meerdere panden werden doorzocht in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar mensensmokkel.
De vreemdeling stelde dat de machtiging tot binnentreden onrechtmatig was omdat deze door een hulpofficier van Justitie was afgegeven voor vijf woningen zonder voldoende bevoegdheid. Daarnaast werden bezwaren geuit tegen de duur tussen staandehouding en ophouding, het ontbreken van een last tot lichten, en het niet tijdig kunnen spreken van een advocaat.
De rechtbank oordeelde dat de machtiging tot binnentreden onder supervisie van de Officier van Justitie was verleend en daarmee rechtmatig was. De periode tussen staandehouding en ophouding werd niet als bovenmatig lang beschouwd. Ook werd geoordeeld dat het recht op rechtsbijstand niet was geschonden, mede doordat de vreemdeling had afgezien van onmiddellijke bijstand.
Verder werd vastgesteld dat de bewaring op een juiste wettelijke grondslag berustte, gezien het ontbreken van een geldige verblijfsstatus en het vermoeden dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken. De rechtbank zag geen schending in de last tot uitzetting en het ontbreken van een last tot lichten werd als een administratieve tekortkoming zonder belangenverlies beoordeeld.
Het beroep tegen de bewaring werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De rechtbank wees erop dat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel openstaat voor het beroep tegen het bevel tot inbewaringstelling.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.