ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0050
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenrechtelijke procedure
Verzoekster, van Bosnische nationaliteit, heeft op 19 augustus 1998 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen en tevens is ambtshalve besloten geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende humanitaire redenen te verlenen. Verzoekster stelde beroep in tegen deze beslissing.
De president van de rechtbank beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting. Hierbij werd overwogen dat verzoekster een redelijke kans heeft op verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, mede vanwege het feit dat haar echtgenoot een vergunning tot verblijf heeft ontvangen op grond van artikel 13a van de Vreemdelingenwet in samenhang met artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank stelde vragen over de reikwijdte van het ambtshalve onderzoek door verweerder en de interpretatie van de wetgeving omtrent het verblijfsrecht van verzoekster in relatie tot haar echtgenoot. Gezien de complexiteit van deze vragen gaf de president geen voorlopig oordeel hierover, maar oordeelde dat verzoekster in de gelegenheid moet worden gesteld haar beroep in Nederland af te wachten.
De voorlopige voorziening werd toegewezen, waarbij verweerder werd verboden om uitzetting of voorbereidingen daartoe te treffen totdat op het beroep is beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd de Staat aangewezen om het griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Verzoek tot voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt toegewezen en uitzetting wordt verboden totdat op het beroep is beslist.