ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0086

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
2 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/2888
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Th.C.M. Hendriks-Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2b AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 7:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaar inzake verblijfsvergunning gezinshereniging

Eiseres, een Marokkaanse vreemdeling, verzocht om een verblijfsvergunning voor gezinshereniging bij haar vader. Verweerder stelde haar aanvraag buiten behandeling en ontbrak het aan tijdige beslissing op het daarop ingediende bezwaar. Eiseres stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

De rechtbank oordeelde dat verweerder de beslistermijn had overschreden en dat het beroep niet onredelijk laat was ingediend. Het beroep werd daarom kennelijk gegrond verklaard. De rechtbank vernietigde het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar en stelde een termijn van zes weken, dan wel tien weken indien een adviescommissie werd ingeschakeld, waarbinnen verweerder alsnog een besluit moest nemen.

Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten, begroot op 355 gulden, en tot terugbetaling van het griffierecht van 225 gulden. De rechtbank kwalificeerde de zaak als licht, in navolging van een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar wordt gegrond verklaard en verweerder krijgt een termijn opgelegd om alsnog te beslissen met proceskostenveroordeling.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te 's-Hertogenbosch
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
Uitspraak
AWB 00/2888 VRWET
Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:
A, verblijvende te B, eiseres,
gemachtigde mr. K.L.W. Brummans, advocaat te Venlo,
en
de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.
I. PROCESVERLOOP
Eiseres bezit de Marokkaanse nationaliteit en is vreemdeling in de zin van artikel 1 van Pro de Vw.
Op 26 april 1999 is namens eiseres een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf met als doel "Gezinshereniging bij vader C.".
Bij besluit van 4 juni 1999 heeft verweerder voornoemde aanvraag buiten behandeling gesteld.
Bij brief van 24 juni 1999 is namens eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.
Voorts heeft verweerder bij brief van 26 juli 1999 aan eiseres medegedeeld dat zij de behandeling van haar bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten.
Op 28 juli 1999 is namens eiseres om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat het verweerder wordt verboden maatregelen te nemen om tot verwijdering van eiseres over te gaan, totdat op het bezwaar- c.q. beroepschrift zal
zijn beslist.
Tegen het - naar eiseres stelt - niet tijdig nemen van een besluit op voornoemd bezwaar is namens eiseres bij brief van 10 april 2000 bij deze rechtbank beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 11 april 2000 ter griffie van de
rechtbank ontvangen.
Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat zij kennelijk
onbevoegd is, dan wel het beroep kennelijk niet- ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. Na kennis te hebben genomen van de stukken acht de rechtbank in het onderhavige geval termen aanwezig om van de
vorenbedoelde bevoegdheid gebruik te maken.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepasselijkheid van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.
Blijkens de gedingstukken is op 24 juni 1999 namens eiseres bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de beschikking in primo van 4 juni 1999. Verweerder heeft voornoemd bezwaarschrift op 28 juni 1999 ontvangen. Bij brief van 23 juli
1999, gericht aan de gemachtigde van eiseres, heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en onder verwijzing naar artikel 7:10 van Pro de Awb medegedeeld dat hij gebruik maakt van de mogelijkheid de beslissing te
verdagen en derhalve tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift daarop moet hebben beslist.
Bij brief van 10 april 2000 is namens eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar.
De rechtbank stelt vast dat het besluit in primo van 4 juni 1999 krachtens mandaat namens de korpschef is gegeven, zodat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 31, vierde lid, van de Vw, in afwijking van het bepaalde in
artikel 7:10, eerste en derde lid, binnen zestien weken of - indien het advies van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken wordt ingewonnen - binnen vierentwintig weken na ontvangst van het bezwaarschrift, te weten uiterlijk op
14 december 1999, een beslissing had moeten nemen. Nu verweerder dit heeft nagelaten stond voor eiseres de mogelijkheid tot het instellen van beroep open. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroepschrift van 10 april 2000 niet
onredelijk laat ingediend in de zin van artikel 6:12, derde lid, van de Awb zodat eiseres in haar beroep kan worden ontvangen.
Aangezien uit het voorgaande reeds blijkt dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaarschrift, acht de rechtbank het beroep kennelijk gegrond. In verband hiermede dient het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig
nemen van een besluit op bezwaar te worden
vernietigd.
De rechtbank zal bepalen dat verweerder gehouden is een reëel besluit te nemen op het bezwaarschrift. Naar het oordeel van de rechtbank mag van verweerder verwacht worden dat hij na deze uitspraak zo spoedig mogelijk een besluit
neemt op het bezwaarschrift van eiseres. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder op te dragen binnen een termijn van zes weken, dan wel, in het geval dat verweerder een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van Pro de Awb
inschakelt, binnen tien weken na verzending van deze uitspraak, alsnog een reëel besluit op het bezwaarschrift te nemen.
Nu het beroep gegrond verklaard wordt acht de rechtbank voorts termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. In afwijking van eerdere uitspraken in
soortgelijke zaken, ziet de rechtbank, in navolging van de uitspraak van 6 mei 1999 van de Centrale Raad van Beroep, registratie- nummer: Awb 98/5048, aanleiding het gewicht van de zaak als licht aan te merken. Met inachtneming van
het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage wordt het bedrag van de te vergoeden proceskosten begroot op in totaal ƒ. 355,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:
* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;* waarde per punt FL. . 710,--;
* wegingsfactor 0,5.
Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te worden vergoed.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De rechtbank,
verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van 24 juni 1999 gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van 24 juni 1999;
bepaalt onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen dat verweerder binnen zes dan wel tien weken na de datum van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit neemt op het hiervoor genoemde bezwaar;
veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op f. 355,-- te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier;
gelast dat het gestorte griffierecht ten bedrage van f. 225,-- door de Staat der Nederlanden namens verweerder aan eiseres wordt vergoed;
Aldus gedaan door mr. Th.C.M. Hendriks-Jansen als rechter in tegenwoordigheid van mr. L.M.H. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2000.
Afschriften verzonden: 10 november 2000
TH
Tegen deze uitspraak staat het rechtsmiddel verzet open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de dagtekening van de verzending van het afschrift, een verzetschrift aan deze rechtbank te zenden. Daarin
vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt, tevens gelieve u aan te geven of u wel/niet in de gelegenheid gesteld wilt worden over het verzet te worden gehoord.