ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0106

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
8 augustus 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/5786
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.M.E.A. de Quincey-van Eldonk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 26 VreemdelingenwetArt. 34a VreemdelingenwetArt. 86 Vreemdelingenbesluit
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring vreemdeling wegens illegaal verblijf en uitzettingsrisico

De vreemdeling, van Joegoslavische nationaliteit, werd op 29 juni 2000 in bewaring gesteld op grond van artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet, terwijl op diezelfde datum zijn uitzetting werd gelast. De rechtbank oordeelt dat er voldoende gronden zijn voor de inbewaringstelling, aangezien de vreemdeling geen geldige verblijfs- of identiteitspapieren had, illegaal in Nederland verbleef, en niet beschikte over een vaste woon- of verblijfplaats.

De vreemdeling stelde dat hij bij uitzetting vreest voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en dat hij in Groot-Brittannië een verblijfsvergunning wil aanvragen. De rechtbank stelde vast dat hij geen toelatingsaanvragen in Nederland wenst te doen en dat deze stelling niet werd onderbouwd, waardoor toetsing van een artikel 3 EVRM Pro-situatie niet aan de orde is.

De rechtbank concludeert dat de bewaring niet in strijd is met de Vreemdelingenwet en dat de belangenafweging geen reden geeft tot opheffing. De vreemdeling zal op 4 september 2000 worden verwijderd naar Joegoslavië. Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te 's-Hertogenbosch
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
--------------------------------
Uitspraak
--------------------------------
AWB 00/5786 V3
Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 34a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:
A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1976 en van Joegoslavische nationaliteit, thans verblijvende in het Justitieel Complex Koning Willem II te Tilburg, hierna te noemen: de vreemdeling
en
de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, hierna te noemen: verweerder.
Zitting: 7 augustus 2000.
De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan mr. R.A.A. Maat, kantoorgenoot van zijn gemachtigde mr. J. Wouters, beiden advocaat te Middelburg.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. Y.E.A.M. van Hal.
Als tolk in de Albanese taal was aanwezig J. Sahiti.
I. PROCESVERLOOP
Bij bevel tot bewaring van 29 juni 2000 is de vreemdeling op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld, terwijl op diezelfde datum zijn uitzetting is gelast.
Bij kennisgeving ex artikel 86 Vreemdelingenbesluit Pro (Vb) van 26 juli 2000, diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, heeft verweerder bericht dat de vreemdeling sedert vier weken in bewaring verblijft zonder beroep te
hebben ingesteld tegen de maatregel tot bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een eerste beroep als bedoeld in artikel 34a, tweede lid van de Vw.
II. OVERWEGINGEN
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende gronden aanwezig zijn die de inbewaringstelling rechtvaardigen.
De vreemdeling beschikte immers ten tijde van de inbewaringstelling (en ook thans) niet over een geldige titel tot verblijf en evenmin over geldige identiteitspapieren of voldoende middelen van bestaan. Voorts is de vreemdeling
illegaal in Nederland aangetroffen en is niet komen vast te staan dat hij zich heeft gemeld bij enige instantie met vreemdelingentoezicht belast. Bovendien is niet gebleken dat de vreemdeling hier te lande beschikt over een vaste
woon- of verblijfplaats.
Onder deze omstandigheden was er naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond te concluderen dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zal onttrekken.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de voor presentatie bij de Albanese autoriteiten benodigde formulieren door tussenkomst van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) Zuid-West op 5 juli 2000
zijn gezonden naar de IND Noord-Oost en aldaar op 13 juli 2000 zijn ontvangen. Vervolgens is de vreemdeling op 18 juli 2000 schriftelijk gepresenteerd bij de Albanese autoriteiten. Hierop is op 28 juli 2000 een negatief resultaat
gekomen.
Ter verkrijging van een EU-document heeft verweerder de vreemdeling op
31 juli 2000 een nationaliteitsverklaring laten invullen en deze verklaring doorgezonden naar de IND Schiphol, waarna via het reisbureau van Schiphol een vlucht is aangevraagd. De vreemdeling zal op 4 september 2000 worden
verwijderd naar Joegoslavië.
Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog voldoende zicht op uitzetting en kan niet worden gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting werkt.
Namens de vreemdeling is aangevoerd dat hij bij uitzetting vreest voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat hij in
Groot Brittannië een aanvraag voor een vergunning tot verblijf wenst in te dienen. Desgevraagd heeft de vreemdeling verklaard geen toelatingsaanvragen voor verblijf in Nederland te willen doen. Aldus ligt beoordeling van een
vermeende artikel 3 EVRM Pro-situatie niet ter toetsing voor, nog afgezien van het feit dat deze stelling op geen enkele wijze zijdens de vreemdeling is - c.q. desgevraagd kon - worden onderbouwd.
Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken
belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De rechtbank,
verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond.
Aldus gedaan door mr. I.M.E.A. de Quincey-van Eldonk als rechter in tegenwoordigheid van W.G.M. de Boer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2000.
onmAfschriften verzonden: 14 augustus 2000
SS