ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0106
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- I.M.E.A. de Quincey-van Eldonk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen bewaring vreemdeling wegens illegaal verblijf en uitzettingsrisico
De vreemdeling, van Joegoslavische nationaliteit, werd op 29 juni 2000 in bewaring gesteld op grond van artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet, terwijl op diezelfde datum zijn uitzetting werd gelast. De rechtbank oordeelt dat er voldoende gronden zijn voor de inbewaringstelling, aangezien de vreemdeling geen geldige verblijfs- of identiteitspapieren had, illegaal in Nederland verbleef, en niet beschikte over een vaste woon- of verblijfplaats.
De vreemdeling stelde dat hij bij uitzetting vreest voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en dat hij in Groot-Brittannië een verblijfsvergunning wil aanvragen. De rechtbank stelde vast dat hij geen toelatingsaanvragen in Nederland wenst te doen en dat deze stelling niet werd onderbouwd, waardoor toetsing van een artikel 3 EVRM Pro-situatie niet aan de orde is.
De rechtbank concludeert dat de bewaring niet in strijd is met de Vreemdelingenwet en dat de belangenafweging geen reden geeft tot opheffing. De vreemdeling zal op 4 september 2000 worden verwijderd naar Joegoslavië. Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.