ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0117
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding
De vreemdeling, met Chinese nationaliteit, werd op 31 augustus 2000 in bewaring gesteld. De rechtbank had op 5 oktober 2000 reeds geoordeeld over de rechtmatigheid van de bewaring tot dat moment. In deze uitspraak stond centraal of de voortzetting van de bewaring tot 27 november 2000 rechtmatig was.
De rechtbank constateerde dat verweerder niet tijdig had gehandeld om de vreemdeling te horen en het formulier voor een laissez-passer in te vullen. Hoewel een tolk in de Chinese taal in week 40 niet beschikbaar was, achtte de rechtbank dit voor rekening van verweerder, mede gelet op eerdere toezeggingen. Het gehoor vond pas plaats op 1 november 2000, waardoor de bewaring vanaf 9 oktober 2000 onrechtmatig werd.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe voor de periode van 9 oktober tot en met 26 november 2000, zijnde 49 dagen, tegen een tarief van ƒ 150,- per dag, totaal ƒ 7.350,-. Verweerder werd tevens veroordeeld in de proceskosten van ƒ 1.420,-. De rechtbank verwierp het argument van verweerder dat het illegaal verblijf en werk van de vreemdeling aanleiding waren tot matiging van de schadevergoeding.
Uitkomst: Bewaring onrechtmatig vanaf 9 oktober 2000 en schadevergoeding van ƒ 7.350,- toegekend.